Zoveel? Wauw!
Vermoedelijk kennen de meeste mensen vooral de honingbij. Of ze denken dat alle bijen honingbijen zijn. De werkelijkheid ligt even anders. Wereldwijd zijn er minstens 20.000 soorten bijen beschreven.. In Europa leven ongeveer 2000 soorten. In Nederland en België komen vanouds 350 soorten bijen voor (maar enkele tientallen soorten zijn vrijwel verdwenen). Van al die duizenden soorten is de honingbij (Apis mellifera) er slechts één! Alle andere soorten worden wilde bijen genoemd.
Tot de wilde bijen behoren ook de hommels. Hommels zijn te beschouwen als grote bijen die een stevig warm vachtje hebben. Daardoor zijn ze bestand tegen lagere temperaturen en kunnen ze overleven in koelere gebieden. In Nederland leven ca 30 soorten hommels.
Zoek de verschillen
Tussen de honingbij en alle andere soorten bestaan heel wat verschillen. Hier de vier belangrijkste.
Ten eerste: De honingbij was vanouds wel een wilde soort, maar is gedomesticeerd - al duizenden jaren geleden. De honingbij wordt door imkers gehuisvest in kasten en korven. De honing, die bedoeld is als voedsel voor de larven en als wintervoorraad, wordt geoogst voor menselijke consumptie. Alle andere soorten bijen produceren helemaal geen honing. Zij verzamelen stuifmeel en nectar voor hun larven en leggen geen wintervoorraad aan.
Het tweede grote verschil is dat honingbijen leven in een volk. Het zijn sociale bijen, in een prachtig gestructureerde samenleving. In één bijenkast kunnen wel 40.000 tot 80.000 bijen leven, werksters en darren, met één koningin aan het hoofd. Verreweg de meeste wilde bijen leven echter niet in een volk, het zijn solitaire bijen. De bijen die we in onze bijenhotels aan het werk zien zijn de vrouwtjes, die in hun eentje zorgen voor hun nageslacht.
Hommels leven dan weer wél in een volk. De hommelkoningin komt al vroeg in het voorjaar tevoorschijn om ergens een nest te gaan bouwen en eitjes te leggen. Zo kan er een klein volk ontstaan van enkele honderden hommels.
Een derde belangrijk verschil hangt hier nauw mee samen. Iedereen weet dat bijen een angel hebben waar ze mee kunnen steken en dat doet gemeen pijn. Maar het is met name de honingbij die dit doet. Zij steekt vooral om het volk te beschermen en de koningin te verdedigen. En als ze in het nauw komt onder je kleren. Veel wilde bijen hebben niet eens een angel. En de bijen die wel een angel hebben zullen er niet gauw mee steken, juist omdat ze solitair leven. Wilde bijen zijn zachtaardige dieren waar we geen kwaad van hebben te vrezen!
Een vierde verschil is dat honingbijen als volk de winter overleven. Zij worden door de imker verzorgd en zijn bovendien in staat om samen hun kast op temperatuur te houden. De meeste wilde bijen leven echter maar gedurende één seizoen. In de winter zijn er geen wilde bijen: die van het afgelopen seizoen zijn gestorven en de volgende generatie vliegt pas na de winter uit.
Onderlinge diversiteit
Opvallend is dat de wilde bijensoorten onderling ook heel verschillend zijn. Dat begint al met hun lichaamsgrootte. De kleinste bij ter wereld (Perdita minima) is nog geen 2 mm groot en leeft in Amerikaanse woestijnen. De kleinste Nederlandse bij is de grashalmbij (Lasioglossum parvulum) die 3-4 mm groot wordt. De grootste bij ter wereld (Megachile pluto) leeft in Indonesië en wordt wel 4 cm lang, met een vleugelwijdte van 6 cm! In Nederland is de grootste soort de blauwzwarte houtbij (Xylocopa violacea), die 2,5 cm lang is.
In de bijenhotels ontmoeten we bovengronds nestelende bijen, zoals metselbijen en behangersbijen. Echter: het grootste deel van de wilde bijen nestelt ondergronds. Het betreft zo’n 70% van alle wilde bijen. Zij nestelen in een holletje in de bodem of graven zelf een gang de grond in, tot wel een meter diep! Ook veel hommels nestelen onder de grond (bijvoorbeeld in een muizenhol) of in een spouwmuur.
Een heel opmerkelijke diversiteit is er in de voedselvoorkeur. Om precies te zijn: Van welke bloemen halen de bijen het stuifmeel voor hun larven? De meeste bijensoorten zijn hier niet kritisch op: zij verzamelen stuifmeel van allerlei soorten bloemen. Deze bijen worden polylectisch genoemd. Het zijn soorten bijen die gedurende langere periodes in het jaar actief zijn en daarom niet afhankelijk kunnen zijn van maar een paar soorten planten. Daarentegen zijn er ook soorten bijen die gespecialiseerd zijn in één plantensoort of -familie, die zijn oligolectisch. Bijvoorbeeld de klokjesbijen die hun stuifmeel verzamelen van alle soorten Campanula. Zelfs bestaan er bijen die stuifmeel verzamelen van slechts één plantensoort en die heten dan monolectisch.
Wat dat verzamelen van stuifmeel betreft, ook dat doen niet alle bijen op dezelfde manier. Van de honingbij is bekend dat zij het stuifmeel aan haar pootjes verzamelt en bij elkaar veegt in een speciaal korfje aan haar achterpootjes. Naast de pootverzamelaars zijn er de buikverzamelaars, die een speciaal borsteltje onder hun buik hebben van langere lichaamsbeharing, een buikschuier. Enkele bijen zijn kropverzamelaars: zij happen het stuifmeel op en vervoeren het achter in hun keel.
Al met al is er zoveel diversiteit in de hele wilde bijenwereld, dat je heel weinig uitspraken kunt doen die voor alle soorten gelden. (Wat best lastig is als je correcte informatie wilt aanbieden.)
Jaarcyclus
In het voorjaar komen de jonge bijen uit hun nest te voorschijn om aan hun werkzame leven te beginnen. Dat zijn meestal eerst de mannetjes, die de weg naar buiten openen. Daarna volgen de vrouwtjesbijen, die al spoedig door de gretige mannetjes worden bevrucht. De tijd van het jaar waarin de jonge bijen actief worden verschilt per soort. Bijen zijn koudbloedige dieren die afhankelijk zijn van zonnewarmte. Grotere bijen en hommels die een stevig vachtje hebben komen eerder op gang dan kleinere of minder behaarde soorten. Ook is er een samenhang met de bloeiperiode van de planten waar de bijen van afhankelijk zijn. Gemiddeld gesproken leven de bijen een week of 6 á 8.
Na de bevruchting hebben de mannetjes hun levenstaak volbracht, maar voor de vrouwtjes begint het dan pas. Het leven van een vrouwtjesbij bestaat uit hard werken om voor nageslacht te zorgen. Zij doet dat door stuifmeel te verzamelen en op te bergen in een nestcel - eventueel met een beetje nectar daarbij gemengd (dat heet een bijenbroodje). Naast of boven op het hoopje stuifmeel legt zij een eitje, zij sluit de nestcel af met een muurtje en begint dan aan de volgende ronde. In de gangen van het bijenkijkhuisje zie je zo een rijtje nestcellen ontstaan, dat ook weer afgesloten wordt met een muurtje. In totaal creëert de moederbij op deze manier een levenskans voor een stuk of 20 nakomelingen. Daarna sterft zij.
De eitjes ontwikkelen zich tot een larve die de voorraad stuifmeel begint op te eten. Wanneer de larve volgroeid is, volgt de verpopping. Bij sommige soorten gebeurt dat direct, andere soorten overleven de winter als ‘rustlarve’ en verpoppen pas daarna. Het volgende voorjaar kruipen de jonge bijen uit hun nest en begint de cyclus opnieuw.
Maak jouw eigen website met JouwWeb